• Toegankelijk voor iedereen

  • Gratis oriënterend gesprek

  • Jouw belang voorop

HomeNieuwsEigendomsverkrijging middels verjaring

Eigendomsverkrijging middels verjaring

Nieuws

Iemand die het bezit van een stuk land verkrijgt (maar niet de eigendom), kan onder bepaalde omstandigheden het eigendom daarvan verkrijgen. Het komt herhaaldelijk voor dat er tussen burgers onderling of tussen burgers en gemeenten een geschil ontstaat over de vraag wie eigenaar is van een bepaald stuk grond. Door middel van verschillende manieren kan iemand het eigendom daarvan verkrijgen.

Verkrijgende verjaring ex art. 3:99 lid 1 BW

De eerste manier is verkrijgende verjaring op grond van art. 3:99 lid 1 BW. Dat houdt in dat een bezitter te goeder trouw, eigenaar wordt van een onroerend goed als er sprake is van een onafgebroken bezit van tien jaar. Men kan spreken van te goeder trouw wanneer iemand niet beter wist en dacht eigenaar te zijn van de grond. Opmerking verdient daarbij dat te goeder trouw niet snel wordt aangenomen. De openbare registers konden namelijk worden geraadpleegd om na te gaan wie eigenaar was van de grond (art. 3:23 BW).

Verkrijgende verjaring ex art. 3:105 lid 1 BW

Een andere vorm van verkrijgende verjaring staat in art. 3:105 lid 1 BW. Op grond van dat artikel verkrijgt de persoon die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, het goed. Hierbij is te goeder trouw geen vereiste. De verjaringstermijn vangt aan op de volgende dag nadat een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt ex art. 3:314 lid 2 BW. De termijn voor de betreffende verjaring bedraagt dan twintig jaren op grond van art. 3:306 BW.

Inbezitneming

Voor beide manieren van verjaring is bezit een vereiste. In de meeste zaken speelt de vraag of een stuk grond in bezit is genomen. Om te spreken van bezit gelden er twee vereisten. Deze vereisten staan niet expliciet in de wet, maar het wordt geacht besloten te liggen in het begrip ‘bezit’.  De eerste vereiste is ondubbelzinnigheid en ten tweede moet het bezit openbaar zijn.  Ondubbelzinnigheid is aanwezig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar, tegen wie verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Het bezit is openbaar wanneer het voor iedereen duidelijk is dat een niet-rechthebbende voor zichzelf de feitelijke macht over een goed uitoefent. Daarnaast moet voor inbezitneming de machtsuitoefening zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke eigenaar teniet doet gaan. Van geval tot geval moet worden gekeken of daarvan sprake is.

Opmerking verdient dat voor inbezitneming van gemeentegrond zwaardere eisen worden gesteld. Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft eind 2016 een aantal uitspraken gedaan waarin wordt overwogen dat de gemeente in veel gevallen het gebruik van de particulier zal gedogen. Het particulier gebruik is namelijk ook voor de gemeente gunstig. De burger verzorgt en verfraait immers het openbaar groen. Het gebruik mag echter niet ten koste gaan van de verkeersveiligheid en voor de gemeente mag de toegang tot de strook niet worden verhinderd. Dat de gemeente niet optreedt tegen het particuliere gebruik van haar grond mag men daarom niet te snel uitleggen als een blijk van desinteresse voor haar eigendommen.

Klik hier om naar de uitspraak te gaan: uitspraken.rechtspraak.nl

Heeft u vragen over dit onderwerp of heeft u zelf een geschil over de eigendom van een stuk land?

Neem dan contact op met Alexander Wiersma via (050) 360 37 68 of info@lw.nl

 

Tekst: Yanling Li